zondag, 14 februari 2016

Beknopte geschiedenis van de PASTORAAL VOOR EMIGRANTEN

Beknopte geschiedenis van de

PASTORAAL VOOR EMIGRANTEN

 

Een oud en actueel thema

Het steekt in de missionaire genen van de Katholieke Kerk, en dus sedert haar oprichting, om het hoofd te bieden aan de talloze nieuwe problemen en velerlei moeilijkheden waarmee emigranten en vluchtelingen geconfronteerd worden.

Vandaag, eind 2015 en begin 2016,  zien we dat velen overgeleverd zijn aan de hinderlagen van kwaadwillenden, vooral mensensmokkelaars die op een schandelijke wijze de situatie van de emigranten proberen uit te buiten tot hun geestelijke ondergang in plaats van tot hun materieel welzijn. Dat probleem is tot heel dicht bij onze huid gekomen als je ziet hoeveel mensen er, kost wat kost, vanuit Zeebrugge naar Engeland willen emigreren.

 

5c3610f0-5d00-0130-ac3c-005056960004.jpg

Het kan niet anders dat we, binnen de christenheid, deze geschiedenis laten aanvangen bij de heilige Familie. Het Huisgezin van Nazareth: Jezus, Maria en Jozef, vluchtte naar Egypte om zich te onttrekken aan de toorn van Herodes. De heilige Familie is het beeld, het voorbeeld en de steun van alle emigranten, zwervers en vluchtelingen die, gedreven door vrees voor de vervolging of door bittere nood, zich genoodzaakt zagen vaderland, dierbare verwanten, buren en goede vrienden vaarwel te zeggen en zich tot in de vreemde te begeven…

 

Door haar vele priesters in te schakelen heeft de Kerk zich steeds, op basis van de naastenliefde, vooral gewijd aan de geestelijke verzorging van ‘mensen onderweg’. Ze hebben, naast hun sacramentele bediening en de prediking van het Woord Gods,  de gelovigen en bekeerlingen gesteund en bevestigd in hun geloof en hen sociaal bijgestaan.

 

Op de eerste plaats herinneren wij hier dan aan de daden en de woorden van Sint Ambrosius. Deze Bisschop van Milaan liet na de nederlaag van keizer Valens bij Adrianopolis de heilige vaten smelten en verkopen, om de ongelukkigen, die waren gedeporteerd, te kunnen vrijkopen. Op deze manier hoopte hij hun materiële ellende te kunnen besparen en hen te behoeden voor nog ernstiger geestelijke gevaren.

"Wie," zo schrijft Sint Ambrosius, "wie kan er nu zo hard, wreed en als van steen zijn, dat hij het zou betreuren zo de mannen te kunnen redden van de dood, de vrouwen van verkrachting door de barbaren , de meisjes en jongens te kunnen vrijwaren tegen besmetting door de afgoden, waaraan zij toch, onder bedreiging met de dood, zijn blootgesteld? Wij hebben dus deze daad ter onzer verantwoording genomen…”

 

Stilaan is daaruit ook het ‘missie-ideaal’ gegroeid waarbij bisschoppen en priesters naar verre streken trokken om er het geloof te brengen en terzelfdertijd te streven naar een betere burgerlijke samenleving en rechtvaardiger sociale verhoudingen. Zij zorgden ook voor een verdediging van de inheemse bevolking tegen de binnendringende barbaren. Aan de Barbaren zelf werd er ook, zonder vrees, een christelijke leer en beschaving gebracht.

 

Hier is de inzet van religieuze orden noemnswaardig. Die werden gesticht om gevangen te bevrijden: hun leden waren heldhaftig en zagen er niet tegen op de smartelijkste beproevingen voor hun gevangen broeders te doorstaan, als zij hun maar de vrijheid konden terugschenken of hen althans enigszins troosten.

 

Na de ontdekking van een nieuw continent in het westen trokken er priesters mee met de kolonisten om te voorkomen, dat deze zouden breken met de christelijke moraal of bij die plotselinge toevloed van materieel bezit zich zouden laten meeslepen door een ontembare hartstocht. Deze priesters werden onmiddellijk ook de missionarissen voor de (heidense) inheemse bevolking.

 

Heel wat priesters hebben zich ingezet en het lot aangetrokken van de  negers die op een onmenselijke wijze als slaven uit hun geboorteland werden weggesleept en in de verschillende havens van Europa en Amerika schandelijk werden verhandeld.

 

Een andere intense activiteit, die over de gehele christenheid werd ontplooid en in Rome befaamd werd, was het werk van vrome instellingen voor de pelgrims, bedevaarders, boetelingen, enz.

Hieruit ontstonden de talloze ziekenhuizen, pelgrimstehuizen, kerken en nationale broederschappen, waarvan we tot op heden nog sporen aantreffen. Er zijn "Pelgrimsscholen" van de Saksers, Longobarden, Franken en Friezen. Hun oprichting rond het Vaticaan en het graf van de Prins der Apostelen dateert reeds van de VIIIe eeuw. Zij waren bedoeld om de pelgrims te helpen, die vanuit de landen aan de andere zijde van de Alpen naar Rome kwamen om de ‘gedachtenissen der Apostelen’ te vereren.

 

De ervaring en nieuwe inzichten leerden dat het werk van de priester onder vreemdelingen en pelgrims des te effectiever was, wanneer het verricht werd door priesters van gelijke taal en oorsprong, vooral wanneer het onwetenden betrof of mensen, die slechts zeer oppervlakkig de christelijke godsdienst hadden leren kennen. In het vierde Concilie van Lateranen in het jaar 1215, werd bepaald:

"Gezien het feit, dat op vele plaatsen in eenzelfde stad of bisdom een gemengde bevolking leeft met verschillende taal, die wel allen eenzelfde geloof belijden, doch naar verschillende riten en gebruiken, verordenen wij uitdrukkelijk, dat de Bisschoppen van bedoelde steden of bisdommen voorzien in een aantal geschikte personen, die het goddelijk Officie naar de verschillende riten en talen kunnen vieren, de heilige Sacramenten van de Kerk kunnen toedienen en deze volksgroepen tevens op een passende wijze door woord en voorbeeld kunnen onderrichten".

 

Tot op vandaag heeft de Kerk parochies in het leven geroepen voor verschillende naties en talen. Het is bekend, van hoeveel geestelijk voordeel deze, steeds druk bezochte, parochies zijn geweest voor de gelovigen uit eigen bisdommen zelf. Zij worden dan ook door allen hoog in ere gehouden.

Vandaar dat de Codex van het Kerkelijk Recht niet naliet er de normen voor vast te leggen. Zo kwam men met goedkeuring van de Apostolische Stoel langzamerhand tot de oprichting van talrijke nationale parochies vooral in Amerika, waar zij tot op vandaag uitstekend functioneren. En nog kort geleden om een enkel voorbeeld te geven werden er nieuwe nationale parochies opgericht voor de Chinezen op de Filippijnen.

Met het oog op het verschil in riten zijn er zelfs hier en daar zeer terecht afzonderlijke bisdommen opgericht.

 

We mogen met de hand op het hart stellen dat de Kerk nooit te kort schoot in de zorg voor hen die ver verwijderd van hun vaderland leefden.

We hoeven maar een korte geschiedenis op te maken met gegevens en beslissingen van de laatste pausen om dit te staven.

 

Paus Leo XIII

 

Als vurig verdediger van de waarde van de menselijke arbeid en zijn rechten, wijdde Leo XIII speciale aandacht aan de arbeiders die naar het buitenland trokken om werk en bestaansmiddelen te zoeken. Reeds in het eerste jaar van Zijn Pontificaat verleende hij zijn goedkeuring aan de "St. Raphaël-Verein zum Schutze katholischer Auswanderer", opgericht door de Duitse Bisschoppen voor hulp aan emigrerende landgenoten. Deze vereniging had haar afdelingen in de havens van vertrek en aankomst en strekte in de volgende jaren haar activiteit ook uit over emigranten uit andere landen, zoals bijvoorbeeld uit België, Oostenrijk en Italië.

In 1887 keurde de Paus de plannen goed van de Dienaar Gods Joannes Scalabrini, toentertijd Bisschop van Piacenza. Deze wilde een religieus instituut oprichten voor priesters, die zich vooral zouden wijden aan de geestelijke verzorging van de talloze Italianen die naar Amerika emigreerden.

Mgr Scalabrini stichtte eerst een college voor de vorming van deze priesters en vervolgens het zo lang gewenste "Religieus Instituut van de Missionarissen van Sint Carolus".

 

Van 1888 dateert het beroemde Schrijven "Quam aerumnosa" (hoe bedroefd) , dat talloze initiatieven stimuleerde. Priesters, mannelijke en vrouwelijke religieuzen begonnen zich te wijden aan de zorg voor emigranten; er ontstonden organisaties tot hulpverlening aan landverhuizers uit Ierland, Oostenrijk, Hongarije, Frankrijk, Zwitserland, België, Nederland, Spanje en Portugal; tevens werden er talrijke nationale parochies opgericht.

Leo XIII legde ook de normen vast voor de geestelijke verzorging van de tijdelijke emigranten, seizoenarbeiders, binnen de grenzen van Europa.

 

Mgr. Bonomelli, Bisschop van Cremona, stichtte het "Werk van Hulpverlening aan geëmigreerde Italianen binnen Europa" (1900). Hieruit ontstonden in Zwitserland, Oostenrijk en vooral in Frankrijk de zogenaamde "Katholieke Missiën", met allerlei nevenorganisaties voor bijstand, weldadigheid, onderricht aan emigranten en bloeiende secretariaten.

Bij de dood van Mgr Bonomelli vertrouwde Benedictus XV dit werk toe aan de Bisschop van Vicenza. Pius XI bepaalde later, dat de overste en directeur van dit werk zou worden aangewezen door de H. Congregatie van het Consistorie (vereniging van de paus met de kardinalen).

Het is ook de grote verdienste van Leo XIII, moeder Francesca Xaverio Cabrini erop gewezen te hebben, liever naar het Westen te gaan in plaats van naar het Oosten. Resultaat van haar onvermoeide activiteit zijn de talrijke instellingen in Amerika voor de opvoeding en het onderwijs van de kinderen van Italianen, in ziekenhuizen enz. Bij haar Zaligverklaring noemde Pius XI haar daarom "de Moeder van de Italiaanse emigranten".

 

Paus Pius X

Deze paus gaf een structurele ordening aan de katholieke emigratiewerken in Europa, Amerika en Oosterse landen. Reeds als pastoor te Salzane wijdde hij zijn zorgen aan zijn emigrerende parochianen en als paus strekte hij dit uit tot alle emigranten.

Heel wat initiatieven en geschriften zijn van zijn hand. Wij vernoemen een brief aan de Aartsbisschop van New York (26 februari 1904), waarin hij zijn boodschap en goedkeuring te kennen geeft voor de stichting van een Seminarie voor de kinderen van Italianen; een Schrijven aan de Overste van de Missionarissen van Sint Carolus, een ander aan de President van het Antoniaans Genootschap, en één aan de President van het Katholiek Genootschap voor Emigranten in Canada.

In 1905 keurde hij het "Instituut van de Missionarissen van de H. Antonius van Padua" goed. Het was gesticht door de priester Jac. Coccolo.

Door bemiddeling van Zijn Staatssecretaris en van de H. Congregatie van het Consistorie spoorde Hij de Bisschoppen aan tot stichting van comités en secretariaten voor emigranten.

Via de H. Congregatie van de Sacramenten vaardigde Hij een instructie uit betreffende het bewijs van de "status liber" (vrijstaat)en de registratie van het huwelijk, waardoor de onregelmatigheden konden worden voorkomen, die gemakkelijk ontstaan door de veronachtzaming van de canonieke voorschriften door de emigranten.

Hij vergat ook de priesters en gelovigen van de Oosterse ritus niet. Voor de V.S. van Amerika werd een Bisschop van de Rutheense ritus benoemd; een zelfde voor Canada; de "Vereniging voor geestelijke bijstand aan Ruthenen", opgericht te Toronto, werd door Hem goedgekeurd; normen werden gegeven ter regeling van de onderlinge betrekkingen tussen de gelovigen, priesters en Bisschoppen van de Latijnse en die van de Rutheense ritus in Canada. Verder schonk Hij de Kerk van de Allerheiligste Verlosser aan de Via delle Copelle te Rome aan het katholiek Episcopaat van Roemenië.

Het belangrijkste echter was de instelling van een afzonderlijk Bureau of Sectie bij de Congregatie van het Consistorie "voor de geestelijke verzorging van emigranten van de Latijnse ritus". Hiermee kreeg de  Congregatie de competentie over emigrerende priesters, welke eerst ressorteerden onder de Congregatie van het Concilie, echter met uitzondering van de priesters van de Oosterse ritus, die vielen onder de Congregatie van de Voortplanting van het Geloof. De Congregatie van het Consistorie vaardigde hierop normen uit voor priesters, die vanuit Europese landen naar Amerika of de Filippijnen zouden gaan, alsmede voor hen, die zich wilden wijden aan de verzorging van de Italiaanse emigranten.

Tenslotte stichtte de Zalige Pius X te Rome een College voor laatstbedoelde priesters en schreef daarvoor eigenhandig aan de vooravond van Zijn heilige dood de Statuten.

 

Benedictus XV

Niettegenstaande de druk en zorg door de eerste wereldoorlog, nam Benedictus XV deze erfenis van providentiële instellingen gretig over. Zijn eerste daad was aan bovengenoemd College enkele lokalen toe te wijzen in het gebouw van het vroegere Romeins Seminarie. Vervolgens richtte Hij zich tot de Bisschoppen van Italië en Amerika voor het bijeenbrengen van de nodige fondsen ten bate van het College. Hij gaf de Italiaanse Bisschoppen toestemming tot het houden van een jaarlijkse "Emigratiedag" en verzocht de pastoors eenmaal per jaar de H. Mis op te dragen voor het werk van de Emigratie. In een Schrijven aan de Aartsbisschop van San Paolo en de overige Bisschoppen van Brazilië vraagt de paus hun uiterste waakzaamheid om te voorkomen, dat de Europese emigranten hun voorvaderlijk geloof zouden verliezen. Hetzelfde schreef Hij aan de Bisschop van Trenton in de V.S. van Amerika en prees hem voor de oprichting van een kerk voor de Italiaanse kolonie. Ook Hij gaf normen voor de emigranten, die voor het werk op de rijstvelden telken jare weer naar hun vaderland terugkeerden. Op 23 oktober 1921 benoemde Hij een "Prelaat voor de Italiaanse Emigratie", die tevens belast werd met de leiding van het meerdere malen genoemd College te Rome.

Tijdens de oorlog gingen zijn zorgen uit naar de talloze krijgsgevangenen. Reeds onmiddellijk aan het begin van zijn Pontificaat, 21 december 1914, verzocht Hij alle Bisschoppen in streken, waar zich krijgsgevangenen bevonden, voor deze mensen priesters aan te wijzen, die hun taal kenden.

 

Na de oorlog benoemde Hij een "Bisschop voor de Vluchtelingen" in Italië (3 september 1918). Tevens verzocht Hij de Bisschoppen van Duitsland en van Centraal-Europa op hun bijeenkomsten speciale aandacht te wijden aan de meest geschikte middelen voor de geestelijke verzorging van de talloze vluchtelingen en de activiteit van de "St. Raphaël-Verein" uit te breiden.

In 1921 benoemde Hij de Aartsbisschap van Keulen tot Beschermheer van het "Werk tot godsdienstige bijstand aan katholieke Duitsers", geëmigreerd naar Italië. Dit werk strekte naderhand zijn activiteit uit over geheel West- en Oost-Europa.

Benedictus XV dacht ook aan de Bisschoppen, priesters en gelovigen, die tijdens de vervolgingen in Mexico waren gevlucht. Hij beval hen aan in de liefde en edelmoedigheid van de Katholieke Amerikanen. De Aartsbisschop van Baltimore prees Hij om de oprichting van een Seminarie voor jonge Mexicanen.

Voor de katholieken van de Oosterse ritus regelde Hij de geestelijke verzorging van de Grieks-Ruthenen. Te Grottaferrata bij Rome stichtte Hij een seminarie voor Italo-griekse jongens en richtte in Italië een bisdom Lungro in Calabrië op voor de katholieken van de Griekse ritus, door de vervolging verdreven uit Albanië en de Epirus.

Tenslotte herinneren wij hier aan de uitroeping van 0. L. Vrouw van Loreto tot Patrones van de luchtreizigers, eveneens door deze Paus.

 

Pius XI

Zijn eerste zorgen gingen uit naar de emigranten van de Oosterse ritus. De Constitutie geeft de ontroerende woorden weer van Pius XI, toen Hij op 24 december 1922 aan het College van Kardinalen aankondigde, bij wijze van Nieuwjaarsgeschenk van het Goddelijk Kind, 400 Armeense kinderen, allen wees, te hebben opgenomen in het Pauselijk Paleis te Castel Gandolfo.

De grote liefde van Pius XI voor de Russen is bekend. Wij herinneren hier slechts aan Zijn bezorgdheid voor de vluchtelingen van de Slavische ritus in China. Verder, zijn aanbevelingen aan de Bisschoppen van Polen hun zorg te laten uitgaan naar de vluchtelingen uit het Oosten, van welke taal of belijdenis zij ook mochten zijn; de grote aalmoezen ook, die Hij voor dat doel ter beschikking stelde.

Voor de gelovigen van de Byzantijnse ritus stichtte Hij de Eparchie van Piana dei Greci op Sicilië. De reeds bestaande normen voor de Ruthenen in de V.S. van Amerika en in Canada vulde Hij nader aan.

Onder de emigranten van de Latijnse ritus nemen de Polen een eerste plaats in. Een bewijs van Zijn voorliefde voor hen, Pius XI was immers Nuntius geweest te Warschau, gaf Hij, door de Nationale Poolse kerk van Sint Josaphat te Milwaukee in de V.S. tot Basiliek te verheffen, en door de benoeming van de Aartsbisschop van Gnesen en Posen tot Beschermheer van alle Poolse emigranten.

Verder gaf Hij Zijn goedkeuring aan de stichting van een religieus Instituut voor de geestelijke bijstand aan Duitse emigranten, later meer bekend onder de naam "Genootschap van de Heilige Engelen". Bij de Mexicaanse Bisschoppen drong Hij er op aan, overleg te plegen met het Amerikaans Episcopaat ten behoeve van geëmigreerde Mexicanen. Tegelijkertijd bevorderde Hij een nauwere samenwerking van de verschillende organisaties van de Katholieke Actie met betrekking tot dit Apostolaat. Tijdens een onvergetelijke audiëntie van 14 september 1936 op Castel Gandolfo toonde hij zijn bezorgdheid voor de vervolgde Bisschoppen, priesters en gelovigen, die Spanje hadden moeten verlaten.

Wat de Italianen betreft, zij hier herinnerd aan de door Pius XI gegeven normen voor het werk van de "Havenaalmoezeniers" en voor de "Emigratiemissionarissen" in Europa. Hij verlangde, dat elke emigrant voorzien werd van een kerkelijk bewijs door zijn pastoor.

De directie van het Genootschap van de Missionarissen van Sint Carolus (de Scalabrinianen) vertrouwde Hij toe aan de Congregatie van het Consistorie. Vooral door toedoen van de betreurde Kardinaal Rossi herkreeg het Instituut weer het karakter van religieus genootschap, zoals door de Stichter was bedoeld.

Tenslotte werd door Pius XI op 17 april 1922 het "Zeeapostolaat" plechtig erkend. Pius XII stelde dit naderhand onder de leiding van de Congregatie van het Consistorie.

 

Pius XII

 

Bij de aanvang van het Pontificaat van Pius XII was er grote verwarring onder de volken. De drang van bepaalde landen het grondgebied van naburige landen te bezetten, de beperkingen opgelegd aan de emigratie, de gedwongen emigratie van duizenden en duizenden veroorzaakten onnoemelijk leed. Eens te meer was het de Kerk die zich aan het hoofd stelde van alle charitatief werk, die vaderland werd voor alle bannelingen. Niets heeft Pius XII in die tijd onbeproefd gelaten. Ook de onmenselijk vervolgde Joden zagen zich in groten getale door Hem van reis en onderkomen verzekerd.

De paus heeft zich ingezet om de grote wereldbrand te voorkomen. Tevergeefs! Doch ontwikkelde hij een gigantische activiteit om de noden en pijnen te lenigen voor krijgsgevangenen, vluchtelingen en gedeporteerden. Vele bureaus werden daartoe opgericht: informatiedienst, Pauselijke Vluchtelingencommissie, Pauselijke Hulpcommissie, die op vandaag nog bestaat. De Pauselijke Paleizen, in het bijzonder dat van Castel Gandolfo, werden het toevluchtsoord van ontelbare vluchtelingen, die alles hadden verloren. Het voorbeeld van Pius XII werd nagevolgd door Seminaries en Kerkelijke Colleges te Rome en door de kloosters. Nadat de volken de wapens hadden neergelegd, werd onmiddellijk een Emigratiebureau geopend en een Pauselijke Missie gezonden naar Duitsland en Oostenrijk. Door toedoen van de Nuntii en Apostolische Delegaten, in nauwe samenwerking met de plaatselijke Bisschoppen en priesters, met organisaties van de Katholieke Actie en alle andere vormen van Apostolaat, met de gelovigen over geheel de wereld, werden overal Comités en Commissies opgericht, om het charitatief initiatief van de Paus voor de vluchtelingen, bannelingen en gedeporteerden tot werkelijkheid te maken. Bij het uitbreken van de Palestijnse oorlog en de treurige uittocht van honderdduizenden vredelievende bewoners van die streken naar Jordanië, Syrië, Libanon, Egypte en naar het gebied rondom Gaza, zond de Paus een Pauselijke Missie naar Palestina. Ook thans nog verdeelt deze Missie de goederen, die tot dat doel door de "Catholic Near East Welfare Association" over de gehele wereld worden bijeengebracht, onder de getroffen bevolking: slechts een kleine minderheid van hen is katholiek.

 

Van bijzondere betekenis zijn de Radioboodschap van 1 juni 1941, bij gelegenheid van de 50ste herdenking van "Rerum Novarum" en de Tot het Corps Diplomatique op 25 februari 1946.

Dit overzicht wordt dan aangevuld met een korte opsomming van instellingen, onder Pius XII voor het emigratiewerk in het leven geroepen:

  • Visitatoren voor bepaalde etnische groepen;
  • uitzending van emigratiemissionarissen (voor de Italianen) naar België, Frankrijk, Duitsland, Engeland, Zwitserland, Nederland en Latijns Amerika;
  • het "Obra de Cooperation Sacerdotale Hispano-Arriericana", in 1948 gesticht te Madrid;
  • verder de initiatieven van de Bisschoppen van Nederland, en de goedkeuring op 22 april 1949 van de "Societas Christi pro emigrantibus" voor de Polen.

 

Al deze maatregelen werden door de Apostolische Stoel genomen en al deze initiatieven van de Bisschoppen kwamen tot stand door samenwerking van priesters, kloosterlingen en gelovigen. Dit alles verdiende hier een vermelding omdat hieruit het universele en heilzame werk van de Kerk voor de emigranten en ontheemden van elke rang of stand, duidelijk blijkt.

 

Aangewezen op aanvulling…

De Motu Proprio van paus Johannes-Paulus II

De commentaren zijn gesloten.