donderdag, 27 april 2017

Geneeskunde op schepen in de 17de eeuw

chirurgijn1.jpg 

In Europa stond de ge­neeskunde gedurende de Middeleeuwen en nog lang daarna onder invloed van de Grieks-Romeinse arts Claudius Galenus (2de eeuw n.Chr). Het uitgangspunt van de geneeskundige benadering van ziekten  was dat de gezondheid van de mens afhankelijk was van een juiste balans tussen de vier li­chaamssappen: slijm, bloed, gele gal en zwarte gal. Ziekte was een verstoring van die balans. Tevens werden deze sappen verbonden aan de psychische gesteldheid en onze woorden melancholisch (zwart­gallig), flegmatisch en chole­risch (opvliegend) zijn nog een overblijfsel van deze zienswijze. Om een 'teveel aan bloed' te behandelen diende een aderla­ting te worden uitgevoerd. Het kleine aantal artsen in de 16de en 17de eeuw hield zich uitsluitend bezig met diagnostiek als het voelen van de pols, het beoordelen van de uitgestoken tong, het schouwen van de urine en met het voor­schrijven van meestal volstrekt onwerkzame medicamenten. Moest er een aderlating worden gedaan of een klysma worden gegeven dan werd dit door de chirurgijn verricht. De dokters (doctores medicinae) keken  hooghartig neer op dit eenvou­dige handwerk.

Chirurgijns waren opgeleid als handwerkslieden (barbiers) en werden ‘meester-gezel’door het naleven van de voor­schriften van de gilde. Aderlaten, wondbehandeling, botbreuken en amputatie behoorden tot het werkterrein van de chirurgijn, maar hun expertise liep nogal uiteen, waarbij sommigen zelfs een specialisatie hadden. Zo wa­ren er gespecialiseerd in de behandeling van pokken, syfilis en huisziekten. Er waren breukmeesters, wondmeesters, enz. Daarnaast bestonden er rondtrekkende `meesters' die op markten en ker­missen hun argeloze patiënten behandelden, maar dit waren niet zelden ongeletterde charla­tans.

De chirurgijns in de stad had­den meestal een goed lopen­de barbierswinkel en deden de chirurgie 'erbij' al naar gelang zich patiënten aandienden.

Voor studie van de anatomie (ontleedkunde) kon de chirurgijn-gezel in de grotere steden soms openbare anatomische lessen bijwonen. Na het afleggen van een (meesterproef, waarin de kennis van anatomie, het slijpen van het lancet en de aderlating werd ondervraagd, konden zij zich vestigen.

De scheepvaart der Lage Landen maakte aan het eind van de 16de eeuw een enorme bloei door, niet in het minst door rei­zen naar verre windstreken. Na 1580 ontstond de behoefte om ook langere reizen te gaan maken naar de bronnen van de specerijen in Oost-Azië. Op deze reizen werden de eerste scheepschirurgijns meegezon­den ter verzorging van de be­manningen. Deze chirurgijns kregen aan boord echter ook te maken met ziekten als scheurbuik, dysenterie (darmontstekingen) en tropische infec­ties en van hen werd verwacht dat zij deze ziekten zouden behandelen, iets waarvoor zij niet waren opgeleid en wat hun vakbroe­ders op de wal ten strengste verboden was omdat het be­hoorde tot het werkterrein van de opgeleide dokters.

chirs.jpg

Door de snelle groei van de scheepvaart ontstond er grote behoefte aan scheepschirur­gijns en werden aanvankelijk soms leerling-chirurgijns na een eenvoudig examen, de zogenaamde scheepsproef, aangenomen op de vloot. In de loop van de 17de eeuw werden de schepen groter en de bemanningen talrijker en zond de VOC een meester-op­perchirurgijn, een onderchirur­gijn en een chirurgijnmaat mee. De ervaringen die de laatste twee categorieën op reis opde­den was voldoende om opgenomen en toegelaten te worden tot de gilde.

 

chirurgijn2.jpg

chir1.jpgDe scheepschirurgijn had een medicijnkist en een instru­mentenkist ter beschikking. Hij kreeg ook de op­dracht om van zijn behandelin­gen een journaal bij te houden. Deze verslagen dienden bij thuiskomst van een reis te wor­den ingeleverd, maar het doel daarvan zal vooral een inventa­risatie van de mee teruggebrach­te medicamenten en instrumen­ten zijn geweest en minder om te vernemen voor welke medi­sche en chirurgische uitdagin­gen de chirurgijn had gestaan. Vrijwel alle gepubliceerde verslagen van de chirurgijns zijn uit de tweede helft van de 17de eeuw en later. Noemenswaardig is het journaal van Nicolaus Graaff (1619-1688) met de omvang­rijke titel: Reisen van Nicolaas Graaff na de vier gedeeltens des werelds, als Asia, Africa, America, en Europa. Beheisende een Beschryving van sijn 48 jari­ge Reise en atounerkelyste gevallen, die hy heeft gesien en die hem zyn ontmoet. Van de levens­wyse der Volkeren, Godsdienst, Regeringe, Landschappen en Steden, etc. .

 

De chirurgijn aan boord behoor­de niet tot de officieren en had dan ook hooguit een bescheiden hut op het dek onder de kajuit. Hij hield dagelijks spreekuur, dat door de provoost (opzichter) s morgens na het ochtendge­bed werd aangekondigd met de oproep: 'Kreupelen en blinden, laat U door de Chirurgijn ver­binden, bij de grote mast zult gij hem vinden!: Daar werden dan onder het oog van eenieder wonden verzorgd, medicijnen uitgedeeld en chirurgische ver­richtingen gedaan. Ongevallen aan boord konden variëren van kleine letsels, gebroken armen en benen tot verbrandingen en levensbedreigende verwondingen. De patiënten waren niet te benijden want pijnstilling was beperkt tot opiumdruppels en de begrippen steriliteit en antisepsis waren onbekend. Wondverzorging en operatieve ingrepen leidden dan ook als regel tot etterende won­den en soms tot ernstig weefsel­versterf (gangreen). Amputaties moesten niet zelden verricht worden om het leven van de patient te redden. Hierin was de chi­rurgijn dan ook vaardig en snel. Het slachtoffer zal bij de eerste snede door het nog gezonde vlees wel bewusteloos zijn geraakt, waarna met de handzaag het bot kon worden doorgenomen. Bloedende vaten werden met een gloeiend ijzer dichtgeschroeid en de stomp werd verbonden met een vettig smeersel en lin­nen lappen.

chirurgijn3.jpg

De chirurgijn bezocht ten­minste tweemaal daags de zie­ken in hun kooien op het be­nedendek, vaak slachtoffers van dysenterie of lijders aan scheur­buik. Het verblijf op dit dek was ook niet erg bevorderlijk voor de gezondheid. De hoogte om te staan bedroeg vaak niet veel meer dan vijf voet (zo'n anderhalve meter) zodat rechtop gaan vrijwel uit­gesloten was. De ventilatie was uiterst beperkt, zeker als wegens ruwe zee de geschutsgaten ge­sloten moesten worden. Ruimte om natte kleding te drogen was er niet en onder tropische om­standigheden zal het er vochtig, broeierig en benauwd geweest zijn, een ideale omgeving voor ongedierte zoals ratten en lui­zen. Daar komt bij dat de enige sanitaire voorziening voor de bemanning een gat naast de boegspriet (uit stekend rondhout aan de voorsteven) was en dat die plaats voor lijders aan buikloop meestal niet tijdig kon worden bereikt. De stank op dit dek werd bestreden door het sprenkelen van azijn en het ver­branden van buskruit.

chir1.jpgScheepschirurgijns waren ei­genlijk niet opgeleid voor het herkennen en behandelen van ziekten, maar behandelden des­ondanks hun patiënten naar de inzichten van hun tijd, vaak door schade en schande wijs ge­worden. De meeste sterfte was tengevolge van scheurbuik en dysenterie en trof tot wel twintig procent van de bemanning.

Scheurbuik ontstaat door een tekort aan vitamine C, maar in de 16de en 17de eeuw dacht men dat het een besmettelijke ziekte was die door luiheid en vuilig­heid werd verspreid. Wel wist men dat met het eten van verse groenten en vers fruit de zieken in korte tijd ‘miraculeus ghene­sen syn’: De gangbare remedie aan boord was azijn of vitriooldruppels omdat men dacht dat de werkzame stof tegen scheur­buik een zuur moest zijn. Het nuttigen van citroenen of limoe­nen ter voorkoming van scheur­buik werd pas tegen het eind van de 18de eeuw ingevoerd dankzij de experimenten van de Engelse marine arts James Lind. Vi­tamine C werd pas in de 20ste eeuw geïdentificeerd. De voe­dingstoestand van zeemannen zal bij aanmonstering toch al niet al te best zijn geweest. Zij waren vaak afkomstig uit de armere bevolkingslagen en uit weeshuizen, die in het najaar of in de winter niet aan verse groenten konden komen. De meegenomen verse voeding aan boord bedierf onderweg snel zodat scheurbuik reeds manifest werd na een reis van drie maan­den. De eerste verschijnselen waren spierzwakte en lusteloos­heid, daarna begon het tandvlees te zwellen en kwamen de tanden los te zitten, ontstonden er on­derhuidse bloedingen die blauw uitsloegen (cblauwschuye), en tenslotte trad een fase van apathie (lamlendigheid) en lethargie (slaapzucht) in die met de dood eindigde.

Dysenterie deed meestal het aantal bemanningen minderen. De buikloop ging vaak gepaard met bloedverlies zo­dat gesproken werd van `rode loop’. De oorzaak zal vaak een amoebe (slijmdiertje) of salmonella-infectie zijn geweest via het met feca­liën besmette drinkwater aan boord en de slechte hygiëne. Bij hoge koorts werden volgens de gangbare medische inzichten aderlatingen uitgevoerd en de darmen werden `gereinigd' met lavementen. Hierdoor zullen de pa­tiënten nog meer vocht verloren hebben en aan uitdroging zijn bezweken.

Scheepschirurgijns in de 17de eeuw hadden een slechte repu­tatie die gevoed werd door de verachting van het vak door de geleerde doctores medicinae, die zélf echter nooit of zeer zelden op de schepen meevoeren. Maar uit de overgeleverde chirurgijnverslagen blijkt dat dit beeld grotendeels onjuist is en dat de scheepschirurgijn vaak een toe­gewijde medicus-practicus was die met veelal ontoereikende middelen onder soms extreem moeilijke omstandigheden zijn vak aan boord moest uitoefe­nen. Afgezet tegen de medische kennis, kunde en inzichten van nu, stond de chirurgijn dichter bij de hedendaagse chirurg dan de geleerde doctor medicinae bij de huidige huisarts of internist.

Gepost door aalmoezenier ter zee | Permalink | Commentaren (0) |  Print |  Facebook | | | | |

De commentaren zijn gesloten.